Meditatie


 

Naar de diepste gronden van de bergen daalde ik af in de aarde; haar grendels sloten zich voor eeuwig achter mij.

Jona 2:6a

 

Nedergedaald ter helle

 

Het ene moment maak je je nergens druk om, het andere moment is er een crisis.

Het ene moment ligt Jona te slapen, het andere moment ligt hij in de kolkende zee.

Een plotselinge, dramatische wending in je leven.

Lichamelijk: als je denkt dat er niets aan de hand is, en een week later heb je het bericht dat er geen behandeling meer mogelijk is. Dat je afscheid moet gaan nemen van je geliefden.

Geestelijk: als je een leven lang naar de kerk gaat, maar je ineens realiseert dat je God kwijt bent. Alsof het allemaal een sprookje was, een illusie. Je geloof is verdampt en je weet niet hoe het verder moet zonder Hem. Op de bodem van het bestaan word je ziel gepijnigd met het gemis van God.

Het ene moment lig je te slapen. Het andere moment lig je in de kolkende zee.

 

Het gaat zo plotseling, die afdaling naar de diepste krochten van het bestaan.

Tenminste…?

Bij nader inzien gaat het zo plotseling niet.

Althans, niet bij Jona.

Subtiel maakt de schrijver dat duidelijk. Want die tocht naar ‘de diepste gronden’ is niet de eerste afdaling die Jona maakt.

Het begint al in 1:3. Jona ‘daalde af’ naar de havenplaats Jafo. Daar betreedt hij een schip. En in 1:5 is hij ‘afgedaald’ in het ruim van dat schip.

Hij heeft er dan nog geen idee van dat de afdaling die hij heeft ingezet – ‘weg van het aangezicht van de HEERE’ – nog verder zal gaan, nog verder de diepten in. Hij ligt te slapen.

Maar als hij wakker wordt, duurt het niet lang of hij treft zichzelf aan te midden van de golven. Het water sluit zich boven zijn hoofd. Verstikkend, alsof het Vaderlijk mededogen voor eeuwig ondenkbaar is.

 

Weg van het aangezicht van de HEERE, dat is het ergste wat er is. Een pijniging voor de ziel.

 

Het boekje Jona leert ons om de nood van ons leven te peilen tot op de bodem, dat is: tot op de zonde.

‘Waarom zink ik weg in deze kolkende golven?!’

Die vraag verliest aan urgentie zodra ik inzie waar de afdaling begonnen is: ‘Weg van het aangezicht van de HEERE.’

 

Maar er is meer. In het binnenste van de vis begint Jona te profeteren. ‘Uit het verderf trok U mijn leven omhoog, HEERE, mijn God!’ Zo gaat het verder in 2:6.

Tegenover ‘afdalen’ staat ‘omhoogtrekken.’

Afdalen, dat doet Jona.

Omhoogtrekken, dat doet God.

Het is een profetie. Want vooralsnog bevindt Jona zich in de diepte. De vis heeft hem nog niet uitgespuwd op het droge. Dat gaat nog komen.

En daarmee zijn de woorden van deze profetie zelfs nog niet uitgeput. Er is meer.

 

‘Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.’

Zie, daar is de Heiland!

Hij daalde af, van de hemel naar de aarde. Hij daalde af tot in de hel, de Godverlatenheid. Daar werd Zijn ziel gepijnigd, plaatsvervangend.

‘Naar de diepste gronden van de bergen daalde Ik af in de aarde; haar grendels sloten zich voor eeuwig achter Mij.’ Verstikkend, alsof het Vaderlijk mededogen voor eeuwig ondenkbaar is.

 

Die afdaling werd door Hemzelf ingezet. Anders dan bij Jona was dat geen zonde. Ja, Hij ging weg van het aangezicht van de HEERE, dat wel.

Maar dat was om Jona achterna te gaan, om hem omhoog te trekken uit de diepten van een mensenbestaan.

‘Uit het verderf trok U mijn leven omhoog!’

 

Het ene moment maak je je nergens druk om, het andere moment schrik je wakker:

Jona – dat ben ik. 

 

ds. G.F. Willemsen, Veenendaal