Meditatie


Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.

MattheŁs 5:4

 

Als Jezus het woord neemt stromen de mensen toe om te luisteren. Jezus heeft iets te zeggen, maar het zijn wel vaak dingen die schuren, verwarren of aan het denken zetten. Zijn woorden gaan tegen de common sense, tegen de gevestigde overtuigingen in. Met name de Bergrede blinkt uit in schijnbaar tegenstrijdige uitspraken en doordenkers. Eťn ding maakt Jezus hiermee duidelijk, namelijk dat het koninkrijk waar Hij het steeds over heeft, anders is dan wat de mensen gewend zijn en anders is dan de mensen verwachten.

 

In dit licht dienen we ook de bovenstaande tekst te lezen en te overdenken. Als een tekst die in eerste instantie bevreemdend werkt, vragen oproept en ons nieuwsgierig maakt naar het koninkrijk waar Jezus het over heeft. Bestaat er een wereld waarin degenen die treuren echt getroost zullen worden of is hier slechts de wens de vader van de gedachte?

 

Want wat is treuren? Treuren is een gevolg van een ervaring van verlies, verdriet vanwege het besef dat de dingen nooit meer zullen worden zoals ze waren. Bij deze ervaring staan we ook stil tijdens de eeuwigheidszondag op 20 november, wanneer de namen worden voorgelezen van degenen die ons in het afgelopen jaar zijn ontvallen. Namen van mensen met wie we ons leven hebben gedeeld, van mensen met wie we samen in de kerkbank hebben gezeten. De vraag die we met psalm 89:19 zingen kan zich dan in alle hevigheid aan ons opdringen: ‘Zou’t mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?’

 

De psalmregel illustreert hoe een ervaring van verlies vaak samen gaat met de vraag naar de zin van alles. Dit geldt ook voor andere vormen van verlies die we in ons leven kunnen tegen komen. Verlies van gezondheid bijvoorbeeld of verlies van levensvreugde. Verlies van financiŽle middelen of het verlies van verbinding vanwege gebroken relaties. Het diepe besef dat het nooit meer zal worden zoals het was kan ons dan juist ontroostbaar maken.

 

De woorden van Jezus kunnen met betrekking tot ons persoonlijk leed vreemd aandoen. Ze komen niet overeen met onze alledaagse ervaringen van verlies en pijn. De toenmalige luisteraars zullen dan ook vol verwondering geluisterd hebben naar de woorden van Jezus. Niet alleen zullen de mensen verdriet hebben gekend door het verlies van hun geliefden. Ook het verlies van autonomie over hun land was voor velen een open wond. Er zullen onder de luisteraars mensen zijn geweest die hoopten dat Jezus die autonomie zou kunnen herstellen. Dat dat de vertroosting zou zijn. Maar uit de verdere woorden van Jezus blijkt al snel dat het hem daarom niet begonnen is.

 

Wat doordringt in de woorden van Jezus is dat het koninkrijk waar hij het over heeft anders is dan we verwachten. De troost waar Jezus over spreekt is niet het einde van alle vragen, het einde van het verdriet of van de ervaring van leegte en zinloosheid. Het is de hoop en het geloof dat God, ondanks alles, iets nieuws begint. Het woordje ondanks is hier van belang, want het benadrukt dat het verdriet niet wordt opgeheven. We kunnen er echter wel voorbij streven door het geloof. Het geloof dat de Geest die ooit, in Genesis 1, over het water zweefde om iets nieuws te beginnen dezelfde Geest is die over Maria kwam. Het geloof dat deze Geest nog steeds werkzaam is in de wereld en in mensen iets nieuws kan beginnen, ondanks alles.

 

Daarom is het zo mooi dat op de eeuwigheidszondag de 1e adventszondag volgt. Terwijl dood en zinloosheid ons nog in de nek hijgen belijden we dan met de kerk der eeuwen het geloof dat God in deze wereld iets nieuws begint. Het geloof dat Zijn Geest nog steeds werkzaam is in deze wereld. Die Geest is in staat om ons uit te tillen boven onze ervaringen van verlies en zinloosheid en ons tegelijkertijd de moed te geven om het aardse leven, in alle gebrokenheid, ten volle te aanvaarden.

 

Zo kunnen we het koninkrijk van God nu al heel concreet beleven. In de kerk als gemeenschap der heiligen waar troost is voor degenen die treuren en hoop voor hen die het niet meer zien zitten. Waar armen, hongerigen en zachtmoedigen hun plek hebben. Als we dan in de komende adventsperiode brood en wijn met elkaar delen, als herinnering aan Christus en teken van gemeenschap, vallen Jezus’ woorden toch op hun plaats.

 

 

Jordi van Kleeff