Meditatie


 

 

 

Prediker 3: 1-14

 

1 Voor alles is er een vastgestelde tijd, en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.

2 Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten

en een tijd om het geplante uit te trekken;

3 een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen;

bijbel24 een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, een tijd om rouw te bedrijven en een tijd om te huppelen;

5 een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te verzamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om zich ver te houden van omhelzen;

6 een tijd om te zoeken en een tijd om verloren te laten gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen;

7 een tijd om stuk te scheuren en een tijd om dicht te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken;

8 een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

9 Welk voordeel heeft hij die werkt, van datgene waarvoor hij zwoegt?

10 Ik heb gezien welke bezigheid God de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te vermoeien.

11 Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden.

12 Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven,

13 ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God.

14 Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht.

 

Er is een tijd voor alles, schrijft de prediker. Een tijd om te huilen, een tijd om te lachen, een tijd om te rouwen en een tijd om te huppelen. Zo gaat de prediker door en laat ons een aantal tegenstellingen zien, zowel positieve als negatieve dingen. Misschien herkent u de tegenstellingen wel. Jarenlang ging ons gemeenteleven op dezelfde manier, maar daar kwam sinds het uitbreken van het virus ineens verandering in. Het was een tijd van samenkomen in de kerk en zo werd het een tijd van samenkomen via camera’s en schermen. Het was een tijd om bij elkaar te komen in de kleine zaal van PniŽl en daar catechisatie te hebben. Het werd een tijd van catechisatie volgen in onze eigen kamers via teams. En ook al zijn de maatregelen iets verder versoepeld, we houden 1,5 meter afstand van elkaar. Het lijkt haast op wat de prediker zegt in vers 5b: ”een tijd om te omhelzen en een tijd om zich ver te houden van omhelzen”.

 

Zo bieden de woorden van de prediker ons houvast in deze roerige tijden. Ook al lopen de dingen anders dan we verwachten of dan we gewend zijn. Voor alles is een tijd. Niet om al het leed maar klakkeloos te accepteren, maar om te weten dat in al deze tijden, goed en slecht, dichtbij en ver weg, donker en licht, God ons draagt. Waarschijnlijk werd om deze reden het boek Prediker gelezen door de Joden tijdens het Loofhuttenfeest. Door het bladerdak konden de Joden de onmetelijke sterrenhemel zien en zo beseften ze hun eigen nietigheid. Als herinnering aan de woestijnreis uit Egypte. Een herinnering aan het feit dat ze moesten vertrouwen op God, die voor hen zorgde met de wolk- en vuurkolom.

 

Dit vertrouwen mogen wij ook leren in deze tijd. In vers 14 lezen we ”Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht.” God overziet de tijd en laat ons daarmee ontzag of vrees voor Hem hebben. Dat is geen angst voor God, maar een diep ontzag en vertrouwen in God. De God die ons gemaakt heeft. De God die zegt: ”Ik ben die Ik ben en Ik zal zijn wie Ik zal zijn”. Door alle tijden heen.

 

Zo is het binnenkort tijd om te starten met het winterwerk in de gemeente: de catechisaties, de clubavonden, de bijbelkringavonden, de verenigingen, de gebedsbijeenkomsten. We weten misschien nog niet hoe alles gaat verlopen, maar we mogen vertrouwen dat op wat voor manier we ook gemeente proberen te zijn in deze tijd, God ons draagt. Waar we toch elke zondag aan worden herinnerd met het votum ”Die niet laat varen wat Zijn hand begon”.

 

Henk Boon