Meditatie


 

Toen wierp Abraham zich met zijn gezicht ter aarde en lachte. Genesis 17:17a

 

Een tekst waar we misschien gemakkelijk overheen lezen, het was toch Sara die lachte? Jazeker, dat Sara lachte komt in het volgende hoofdstuk uitgebreid aan bod. Maar ook Abraham lachte dus, ook Abraham kon er met zijn verstand niet bij dat God hem en zijn vrouw een eigen zoon zou schenken.

 

Wanneer u genesis doorleest, zoals we met de zondagavondbijbelkring doen, zult u zien dat Abraham steeds opnieuw probeert de belofte van de HEERE naar zich toe te halen. Hij leeft tussen hoop en vrees, tussen belofte en vervulling. Kan Elimelech de erfgenaam niet zijn? Of IsmaŽl? Nee zegt de HEERE, er zal een erfgenaam komen, een zoon van Abraham en Sara. Daar zal het vervolgens niet bij blijven, nee, zij zullen de stamouders worden van grote volken.

Abraham buigt zich bij het horen van deze belofte vol ontzag voor de HEERE neer, maar tegelijkertijd schiet hij in de lach.

 

Was het ongeloof, verwondering of blijdschap wat Abraham deed lachen? Misschien wel alle drie door elkaar. Twijfel en hoop vermengen zich als Abraham neerknielt voor de HEERE. Wat onmogelijk lijkt wordt toch mogelijk. Er komt nieuw leven voor het geslacht dat bij Abraham dood leek te lopen. God geeft Zijn woord en dat moet voor Abraham genoeg zijn.

 

Abraham de vader van alle gelovigen, niet omdat hij er zo goed in was, maar omdat hij een van de eersten was die door de beproeving van het geloof heen ging. Hij moest de spanning uithouden tussen belofte en vervulling in een situatie die menselijkerwijs gesproken uitzichtloos was.

 

Het geloof dat God het onmogelijke mogelijk kan maken houdt de toekomst open. Geloven in God betekent dat we niet blijven staan bij de wereld zoals die is, maar hopen op en dromen van de wereld zoals die kan zijn. Een wereld waarin onvruchtbare mensen de voorouders worden van een groot volk. Een waarin God kiest voor een uitgebuit slavenvolk. Een wereld waarin een gekruisigde Jezus de opgestane Christus wordt.

 

Als we met die bril op lezen dan zien we dat de Bijbel vol staat met opstandingsverhalen. Ook hier al bij Abraham zien we dat God tot leven wekt wat al dood en opgegeven was.

 

Dan is het toch niet vreemd dat Abraham zijn lachen niet kan inhouden wanneer hij zich realiseert hoe de toekomst kan zijn. Zijn lachen is misschien weifelend en twijfelend aan het begin maar even later opgelucht en bevrijd. Hij hoeft het niet zelf te doen, niet zelf te organiseren. God gaat Zijn belofte waarmaken.

 

Kunt u zich het lachen van Abraham voorstellen? Kunt u het zich voorstellen hoe de volgelingen van Jezus op dezelfde manier hebben gelachen toen zij de Opgestane ontmoetten? Zo wordt het verhaal van God en mensen door de Bijbel heen steeds weer een verhaal van gelach en blijdschap. De vreugde wanneer we ons realiseren dat wij het niet zijn die het voor God moeten regelen maar dat God zelf naar ons toekomt.

 

De lach gaat met Abraham mee in de naam van zijn zoon Izašk, wat betekent ‘hij lacht’ of ‘hij doet lachen.’ Die naam wordt een herinnering aan de God die het ongedachte waarmaakt. Een God waarbij we het niet van eigen inspanning maar van Zijn genade mogen verwachten. Een God die een gesloten toekomst openbreekt en ons blij doet lachen.

 

In de periode tussen Pasen en Hemelvaart verscheen de opgestane Christus verschillende keren aan zijn leerlingen en aan allerlei andere mensen. Wat zal er een blijdschap zijn geweest bij die ontmoetingen en wat zal er zijn gelachen.

 

Laten we met Abraham mee lachen, dwars door ons ongeloof, onze twijfel en wanhoop heen. In het vertrouwen op de God die zijn beloften waarmaakt. Zijn beloften die ons eraan herinneren om niet te blijven staan bij wat er is, maar te geloven in wat er kan zijn.

 

Jordi van Kleeff