Al waren uw zonden als scharlaken…. 

‘… het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde…’   1 Joh. 1 : 7b

 

Direct hierboven vinden we enkele woorden uit de eerste brief van Johannes.  De apostel die van alle andere apostelen waarschijnlijk het dichtst bij de Heere Jezus stond. Wat een voorrecht moet dat geweest zijn. Om Hem persoonlijk te hebben mogen kennen. Om jarenlang aan Zijn zijde te hebben mogen doorbrengen. En toch; hoe heerlijk die herinneringen voor Johannes ook geweest mogen zijn, toch is het niet alleen maar verleden tijd. Dagelijks opnieuw mag Johannes ervaren, dat in Hem het leven is. Door de uitstorting van de Heilige Geest mag er immers een blijvende gemeenschap zijn met de Vader en de Zoon.

 

Een kostbare zaak: ‘Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont.’ Kostbaar, maar ook kwetsbaar. Het is een omgang die immers zo makkelijk weer verstoord kan worden door de zonde. Immers waar een open deur geboden wordt aan de zonde, daar wordt het donker. geestelijk donker. God, Die enkel licht is, kan nu eenmaal geen gemeenschap hebben met de duisternis. ‘Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis (van de zonde) wandelen, zo liegen wij en doen de waarheid niet.’

 

Wie iets mag kennen van de liefde van God in de Heere Jezus Christus, kent een ander verlangen. Een verlangen om te wandelen in het Licht,  in Góds licht.  Een verlangen om te willen wat God wil. Tegelijkertijd echter weten we ook dat geen kind van God er ooit volmaakt in zal slagen om nu ook onafgebroken en uitsluitend het goede te doen. Zelfs Paulus moest belijden: ‘als ik het goede wil, dan ligt het kwade mij bij.’ Ook Johannes wist er van. Hij zegt: ‘indien wij zeggen dat we geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet.’  (1 Joh.1:8).

We dienen ons er echter  van bewust te zijn, dat dit een constatering is met pijn in het hart. Er zijn mensen, die die pijn nog nooit hebben gekend. Mensen die in duisternis wándelen, die er rust in vinden, die er eigenlijk wel van genieten.

 

Johannes zegt: als je zo leeft en zegt God lief te hebben, dan klopt er iets niet. Dan ben je eigenlijk een leugenaar en de waarheid is niet in je.  Met andere woorden: dan is er dringend bekering nodig. Aan allen die, in welke mate dan ook, die pijn wel kennen en herkennen, mag Johannes het evangelie (de goede boodschap) verkondigen. Hij wijst ze op het kruis van Golgotha, het Lam van God. ‘Zijn bloed’  - zegt hij – ‘reinigt ons van alle zonde.’ Geen zonde, hoe donker ook of er is vergeving. Ook die ene zonde, waar u misschien nog vaak aan terugdenkt, die zonde van vroeger, die zonde die zulke diepe sporen heeft achtergelaten in uw hart en leven. Of die andere zonde, waartegen u door Gods genade leerde strijden, maar waar u toch telkens weer in terugvalt. 

 

‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.’   (Jes.1:18)

De Heere zegt in Zijn Woord, dat als wij die zonden niet verbergen nog ontkennen, maar eerlijk belijden, dat de Heere dan rechtvaardig is en getrouw, dat Hij ons de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. Dat Hij ons in Zijn Zoon de Heere Jezus Christus dan zelfs wil aanzien als hadden we nooit énige zonde gekend of gedaan. Nu blijken woorden van mensen nogal eens niet zo betrouwbaar. Daar komen we nogal eens bedrogen mee uit. Maar gelukkig is God anders. Wat God zegt, dat doet Hij ook. Van Zijn woorden is er nooit één ter aarde gevallen. Bij alles wat tegen mij getuigt, mag ik weten van die Ene die vóór mij pleit, een Voorspraak bij de Vader. Eén die het voor mij opneemt: Jezus Christus de rechtvaardige ‘Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden.’

 

Nee, niet alleen mij, maar ons! Het mag gelden voor allen die de verschijning van de Heere Jezus Christus als Zaligmaker van zondaren hebben lief gekregen!  Het is en blijft om stil van te worden en om een loflied over aan te heffen.

‘Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven, hoeveel het zij, genadig wil vergeven!’         

 

Ds. C. van de Scheur, Veenendaal