Gelezen in.........

 

In zijn boek ‘Gezanten van de hemel’ schreef dr. J. Blauw in het hoofdstuk ‘Getuigen der heerlijkheid’ o.a. het volgende over engelen rond de hemelvaart van de Heere Jezus.

 

Aan het einde van de veertig dagen tussen de opstanding en de hemelvaart van Christus ontmoeten wij de engelen opnieuw. Als de discipelen verwonderd staren naar de hemel, waarheen zij zojuist hun Heere hebben zien weggaan, staan plotseling twee engelen bij hen, die hun aandacht omwenden naar de aarde, waar hun werk ligt en hun toekomst en óók de toekomst van de ten hemel gevaren Meester: ‘Galilese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, zoals gij Hem ten hemel hebt zien varen’ (Hand. 1: 11).

Hier spreken boodschappers uit de hemel van de toekomst die de áárde wacht. Het ‘zwaartepunt’ van de schepping ligt niet daar, waar Jezus - voorlopig - heengegaan is, maar op aarde, waar Hij Zijn arbeid heeft verricht. In trouwe en vreugdevolle dienst komen engelen dit aan de discipelen melden. Het vreugdevolle van hun boodschap wordt ook nu onderstreept door het feestelijke gewaad waarin zij aan de discipelen verschijnen: in witte klederen.

De hemelvaart is geen terugslag, maar voortgang van de grote werken Gods. Daaraan behoeven de discipelen na deze feestelijke, hemelse verschijning geen ogenblik meer te twijfelen.

 

Het afscheid van de aarde betekende voor Jezus een intrede in de hemel. De engelen hebben Hem in hun eigen huis mogen ontvangen. Wij weten van die ontvangst niets. Maar zoals voor ons mensen in Christus’ hemelvaart de consequentie van Zijn opstanding ligt, omdat de lijn der verhoging wordt doorgetrokken tot in de hemel, zo wordt voor de engelen met de intrede van de Mens Jezus in de hemel, de lijn doorgetrokken van de consolidering van hun staat als medestanders van God (de hemel) náár die van hun dienst als boodschappers van God aan de gelovigen (de aarde).

De hemelvaart verbindt voor ons definitief de hemel met de aarde; voor de engelen de aarde met de hemel. De troonsbestijging van Jezus Christus is de bevestiging van de staat van de engelen als troondienaren.

Als de schrijver van de Hebreeënbrief later de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond boven het Oude beschrijft, dan behoort tot het méérdere van het Nieuwe ook: maar gij zijt genaderd tot… het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, Hebr. 12: 22, 23. Hier worden engelen en mensen (‘eerstgeborenen’) samen genoemd als bewoners van het hemelse Jeruzalem. Een bevestiging van Christus’ belofte: ‘Zie, ik ga heen om u plaats te bereiden’, Joh. 14: 2.

 

Als de engelen vreugde bedreven hebben bij de schepping, toen de woning der mensen werd toebereid, hoeveel te meer nu Christus de Zijnen een plaats heeft bereid.

Ook dáárom hadden de engelen, die na Zijn hemelvaart hun dienst aan de discipelen te verrichten hadden, het feestkleed aan en verschenen zij voor de verbijsterde mannen in witte klederen. Opdat iets van de hemelse vreugde hen zou vergezellen tijdens hun tocht over de wereld, als getuigen van Jezus.