Meditatie

 

 

Afbeeldingsresultaat voor vlucht wilde ganzen

 

 

 

 

 

Ganzen

De Deense filosoof en theoloog Kierkegaard (1813-1855) schreef eens een verhaal waarin hij het gevaar dat de kerk bedreigt vertelt.

Een wilde gans vloog in de lente naar het noorden van Europa. Toen de gans over Denemarken vloog, keek hij naar beneden. Diep onder zich zag hij een boerderij liggen. Op die boerderij was een groep tamme ganzen aan het eten. De wilde gans had enorme honger. Hij vloog direct naar beneden. Hij ging tussen de tamme ganzen staan. Hij begon met ze mee te eten. Het eten was heerlijk. De tamme ganzen waren vriendelijk. De wilde gans voelde zich op zijn gemak tussen de tamme ganzen.

Toen hij uitgegeten was, zag hij er tegen op om verder te vliegen. De wilde gans besloot de nacht op de boerderij door te brengen. Op die ene nacht op de boerderij volgde een tweede nacht op de boerderij. De derde en vierde nacht bracht de wilde gans ook op de boerderij door. Na een week besloot de wilde gans de hele zomer op de boerderij te blijven.

Het werd herfst. De wilde ganzen kwamen over de boerderij gevlogen. Ze waren op weg naar het zuiden. De wilde gans op de boerderij hoorde het gegak van de wilde ganzen hoog in de lucht. Hij wilde met ze meevliegen naar het warme zuiden. Hij zou dan net als vroeger vanaf grote hoogte naar beneden kunnen kijken. De wilde gans sloeg zijn vleugels uit. Hij fladderde een beetje. Maar als snel viel hij naar beneden. Helaas. Hij had het vliegen op de boerderij verleerd. Hij had het te goed gehad. Zijn vleugels waren te sloom geworden. Zijn lijf was te vet geworden. Nou ja, dacht hij, ik kan niet mee. Maar daar staat tegenover dat ik hier een goed en veilig leven leid. Over het eten hoef ik me geen zorgen te maken. Dat is prima geregeld.

Even later vloog een tweede groep wilde ganzen over de boerderij. Toen kreeg die op de boerderij levende gans het toch te kwaad. Hij werd zenuwachtig. Hij klapwiekte met zijn vleugels. Hij beantwoorde het gegak van de wilde ganzen in de lucht. Hij verlangde naar de hoogten in de lucht. Hij wilde zweven en duikelen en cirkelen zoals hij vroeger had gedaan. Hij wilde weg. Maar het ging niet. Het lukte hem niet los te komen van de grond. Hij nam zich voor op dieet te gaan en de komende tijd het vliegen flink te oefenen. Maar toen de herfst voorbij was, was hij zijn voornemen vergeten. Hij vrat weer evenveel als vroeger. Zijn vleugels werden nog slomer. Zijn lijf werd nog vetter.

Met het verstrijken van de jaren werd het verlangen om mee te vliegen naar het noorden en zuiden zwakker en zwakker. Op een dag vlogen de wilde ganzen gakkend over de boerderij op weg naar hun winterbestemming. En de wilde gans op de boerderij schonk er geen enkele aandacht meer aan. Hij keek niet meer naar boven. Het verlangen om te zweven en te vliegen in het wijde luchtruim was helemaal weg.

Kierkegaard wijst met dit verhaal op het gevaar het geloof te verliezen. Je geniet van het leven. Je bent tevreden. Je verliest het verlangen. Je kunt als die wilde gans steeds vetter en slomer worden. Het verlangen naar God en Zijn koninkrijk wordt minder en de blijde boodschap verdwijnt langzaam maar zeker uit je leven. In het begin vind je het nog jammer. Sommige mensen die er niets meer aan doen kijken met weemoed terug op de kerkgang van hun jeugd, op de geborgenheid en warmte van het kerkelijk nest waarin ze zijn opgegroeid. Maar ze keren niet terug. Er is een moment gekomen waarop ze het allemaal wel best vonden. Verslapping en verflauwing komen sluipenderwijs het leven in. Steeds een tandje lager. Steeds een beetje makkelijker. Ietsje minder bezig met kerk en geloof. En nog een beetje minder. Totdat er op den duur niet eens meer het verlangen naar God is. De grote vijand van de christelijke gemeente is de verslapping. Het is een vijand die zijn duizenden verslaat.

Ds. J. Meertens

 

Afbeeldingsresultaat voor vlucht wilde ganzenMet toestemming overgenomen uit ‘Onderweg’,

kerkblad van de Protestantse gemeente Rhenen.