Gelezen in.........


De Bijbel – teksten over hoop

 

U bent mijn schuilplaats en mijn schild, op Uw woord heb ik gehoopt.

Psalm 119: 14

 

De HEERE is goedgezind voor wie Hem vrezen en op Zijn goedertierenheid hopen.

Psalm 147: 11

 

Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven.

Jeremia 29: 11

 

De God nu van de hoop moge u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig bent in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.

Romeinen 15: 13

 

Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

HebreeŽn 11 :1

 

Het onderstaande artikel is een weergave van een gedeelte van een gesprek in het Nederlands Dagblad met ds. C.M.A. van Ekris, programmaleider van Areopagus, het centrum voor contextuele en missionaire verkondiging van de IZB. Het gaat over zijn verblijf in IndonesiŽ en terugkeer in Nederland. Een stuk dat tot nadenken stemt.

 

Was de mentaliteit in IndonesiŽ zo ontzettend anders dan hier?

In IndonesiŽ is alles religieus. Ze zijn er hoofdzakelijk islamitisch natuurlijk, maar iedereen gelooft daar. God is overal. Ik heb daar gezien wat het lezen van de Bijbel met mensen kan doen, bijvoorbeeld hoe de profeet Jesaja weerklank vindt bij studenten uit Papua. Zij kŤnnen de corruptie en het machtsmisbruik waar Jesaja het over heeft.

Wat me ook heeft getroffen, is de aandacht waarmee geleefd wordt, de vriendelijkheid. Sommige mensen hadden niks, maar ze waren vrolijk. Ik ga IndonesiŽ niet verheerlijken, want er is veel loos. Maar ik heb me weleens een leeg, westers mens gevoeld.

En toen kwam u terug naar Nederland…

In Nederland moet je vechten om te geloven, tegen een atmosfeer die we allemaal inademen, tegen ongrijpbare machten die je aandacht en je leven opeisen. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer zei dat profeten de ervaring hebben dat ze ‘ins Leere reden’, in de leegte praten, omdat niet landt wat ze zeggen. Ik denk dat veel voorgangers dat herkennen.

Ik heb op een christelijke school gezeten. Driekwart van mijn oude klas gelooft niet meer. Wat is er misgegaan? Je ziet nauwelijks mensen meer die de deuren van de kerk hard achter zich dichttrekken. Het geloof verdwijnt gewoon stilletjes. Ik had in Breukelen een jongere in de kerk, van wie een klasgenoot door een ongeluk overleed. Vreselijk natuurlijk. En op allerlei manieren werd hij – heel mooi – ook in de klas herdacht. ‘Ging het ook over God?’, vroeg ik na afloop. ‘Nee’, zei hij. ‘Weet u, ik heb dat helemaal niet gemist.’ Geen gebalde vuist, geen vloek, geen gemis. Het is eenvoudig voorbij. Wij hebben ons leven aan andere dingen gegeven. En nu liggen we als een stel dode vissen op het strand, we laten ons kapotmaken door ons werk, door amusement, door eenzaamheid, door een eeuwige competitie met elkaar en met onszelf, door duizenden verlangens naar duizenden dingen.

Waarom raakt u dat zo persoonlijk?

Ik vind het vooral een raadsel waarom het niet mťťr mensen raakt. Een week of drie geleden is de protestantse gemeente waar wij in onze studietijd in Arnhem meeleefden, definitief gestopt. Dat gebeurt niet zo vaak, hoor. Meestal fuseren gemeenten voor die tijd. Dan zit de kerk weer even vol en hoeven we die pijn even niet zo te ervaren… Maar deze gemeente moest stoppen. Ze waren al een hele tijd met z’n twintigen over en nu ging het niet meer.

Ik was een paar jaar geleden al bij de dienst waarbij we het kerkgebouw verlieten, toen de ouderling met zijn krukken, moeizaam lopend, de paaskaars naar buiten droeg – gevolgd door iemand met een rolstoel die de kanselbijbel op schoot had. Ik moest huilen toen dat

gebeurde. En ik voelde me ook trots daar ik daar bij hoorde. Sindsdien kerkten ze in een cultureel centrum. Dit waren heel gewone gelovige mensen. Niks hips, een doorsnee protestantse gemeente. En die stopt ermee. Daar heb ik pijn van.