Gelezen in.........

In de morgendienst van 23 juli jl. hield kand. Van der Knijff een hele mooie preek over Numeri 6 : 22-27, handelend over de zegen.

In het boek ‘Ere Wie ere toekomt’ schrijft ds. R.W. van Mourik in het hoofdstuk ‘De zegen aan het einde van de dienst’ o.a. ook nog het onderstaande over de zegen:
 

Afbeeldingsresultaat voor hebreeuws shinHet gebaar bij de zegen

Zoals iedereen weet, wordt er bij het uitspreken van de zegen ook een gebaar gemaakt. De predikant breidt zijn handen wijd uitgestrekt over de gemeente uit. De handpalmen naar beneden en de armen op schouderhoogte. Een heel ander gebaar dan aan het begin van de dienst. Aan het begin de hand(en) in de vorm van een groet en aan het eind de handen naar beneden gericht.

Een hogepriester mocht in Isral zijn handen niet hoger heffen dan zijn voorhoofd waarop zich de gouden voorhoofdsplaat bevond met de Naam van God erop. Het zou oneerbiedig zijn om de handen hoger te heffen dan het voorhoofd met de heilige Naam van God. Wanneer een (hoge)priester zegende moesten zijn vingers ook op een speciale manier samengesteld zijn.

De pink en de ringvinger werden bij elkaar gehouden en ook de middelvinger en de wijsvinger. Zo ontstond, door de beide opgeheven handen, de letter ‘shin’ van het Hebreeuwse alfabet (die letter lijkt veel op onze ‘w’). De letter ‘shin’ is de beginletter van het woord ‘Naam’ (sjeem) en het woord ‘Almachtige’ (sajddai) in het Hebreeuws. Prachtige symboliek van het feit dat de Almachtige Zijn Naam, die borg staat voor hulp en bijstand, aan Zijn volk verbindt.

Alhoewel dit symbolische gebaar onder ons niet in gebruik is, is het toch belangrijk om te zien dat er sprake is van handen die uitgestrekt worden. Er vindt immers een handoplegging ‘op afstand’ plaats. Eigenlijk zou iedereen in de kerk, hoofd voor hoofd, de handen opgelegd moeten krijgen. Omdat dat praktisch niet mogelijk is, legt de dienaar in n keer de zegen op heel de gemeente. De handen worden ons opgelegd. Gepaard gaande met die machtige en indrukwekkende woorden die worden uitgesproken. En u weet: de handoplegging bergt een prachtige symboliek in zich. De dienaar mag namens God de genade en de kracht van Hem aan ons overdragen. Als een bemiddelaar tussen God en de gemeente is daar de dienaar die via de handen het diepste uit Gods hart aan de gemeente doorgeeft. Zo’n handoplegging, weliswaar ‘op afstand’, wil toch niemand missen? Zo’n zegenend gebaar is toch geen loos gebaar. Dat mag met diepe eerbied en verwondering ontvangen worden.

 

Gezegend de kerk uit

Het is een bijzonder voorrecht dat we als gezegende mensen de kerk mogen verlaten. We gaan niet weg om er zelf wat van te maken, maar in de wetenschap dat we mogen weten dat in alle omstandigheden van het leven de Heere bij ons is. In die operatie die wacht, het examen dat gedaan moet worden, dat moeilijke huisbezoek dat afgelegd moet worden, dat jubileum dat gevierd mag worden, die verjaardag waarnaar uitgekeken wordt, kortom, in alles gaat de Heere met ons mee. De handen van God zijn ons opgelegd, het hart van God is opengegaan. Hij belooft Zijn nabijheid, kracht, hulp, genade, ondersteuning, liefde, troost en bewaring. Zijn zegen is een belofte. We mogen er verwachting van hebben. We komen er ook niet beschaamd mee uit.

Zo mogen we de eredienst verlaten en de dienst in de wereld aanvangen. Geen gemakkelijke taak. Maar door Zijn zegenende handen een lichte last  en een zacht juk. Gezegend om ook een zegen te zijn voor een ander. Iets door te geven van die genade en liefde van God. Zoals Abraham het hoorde: ‘Ik zal u zegenen (…) en wees een zegen’. Een heerlijk geschenk en een grote verantwoordelijkheid om zo aan het eind van de dienst de zegen te ontvangen. Laten we in heilige eerbied en dankbare verwondering ermee omgaan.