Gelezen in.........

De komen vakantieperiode trekken er veel mensen weer op uit. Wij worden voor een korte tijd reizigers, vreemdelingen in een andere omgeving of een ander land.

Het boekje ‘Vreemdelingen en bijwoners’ waaruit we al eens eerder in de vakantieperiode iets hebben overgenomen, eindigt met het hoofdstuk ‘Vreemdeling zijn is pelgrim zijn’. Dit n.a.v. de psalmen 84 en 121. We laten u dit meelezen in deze en de volgende ‘Petra’.

 

Op reis

Psalm 84 en 121 zijn beide pelgrimsliederen. In Psalm 84 krijg je de indruk dat de dichter in gezelschap van andere pelgrims op weg is en daar wordt het doel van de tocht ook genoemd: Sion. De dichter van Psalm 121 daarentegen lijkt alleen te reizen. En hij noemt geen reisdoel. Toch mogen we, gezien de plaats waar deze psalm staat, van een pelgrimslied spreken.

U kunt u voorstellen dat de dichter van deze psalm door een dal trekt. Aan weerszijden wordt hij omgeven door bergketens. Het is een indrukwekkend, ruig landschap waar hij doorheen trekt. Het is er eenzaam en verlaten en ook wel een beetje beklemmend en dreigend. Eigenlijk moet je zelf eens in een soortgelijk landschap gelopen hebben om iets aan te voelen van de immense verlatenheid en van het besef van eigen nietigheid dat dan bij je op kan komen.

De dichter heeft nog een lange reis voor de boeg,  dagenlang nog. Tijdens die tocht moet hij ook door rotsachtige en woestijnachtige gebieden trekken om zijn bestemming te kunnen bereiken. Zijn tocht voert hem langs steile afgronden, door diepe, smalle, donkere ravijnen waar nauwelijks nog daglicht binnenvalt. Soms moet hij zicht een weg banen door dicht, bijna ondoordringbaar struikgewas. En voordat hij op zijn bestemming is aangekomen, moet hij nog een aantal keren in de open lucht overnachten. Dat is zonder meer een heel waagstuk.

 

Gevaren

Behalve een vermoeiende is het ook een gevaarlijke reis. De gevaren kunnen van alle kanten komen. Nu verbergen ze zich misschien nog achter de bergruggen, onzichtbaar voor de reiziger, maar plotseling kunnen ze opdoemen. Misschien liggen ze al op de loer boven op de bergkammen, verscholen achter rotsblokken: roversbenden die eenzame reizigers overvallen, uitschudden en halfdood laten liggen.

Maar er zijn nog andere gevaren: de plotselinge beet van een slang die je niet hebt gezien, de dodelijke steek van een schorpioen, wilde dieren die lucht van je krijgen. En altijd is er de zon, die gloeiende bal van vuur, die dag in dag uit van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op je brandt, die je energie opslorpt en doet opdrogen en die je een zonnesteek kan bezorgen.

Als de dichter zich al die mogelijkheden voor de geest haalt, voelt hij zich beklemd. Vrees bekruipt hem. Want het zijn geen denkbeeldige verhalen. Zulke dingen gebeuren. Het is realiteit. Waarom zouden ze anderen treffen en hem niet? De dood loert overal. Onwillekeurig speuren zijn ogen de berghellingen af. Wat moet hij beginnen als hij aangevallen wordt? Waar moet hij hier, in dit eenzame, verlaten gebergte hulp vandaan halen? Waar is hier hulp te krijgen? Nergens toch!

Niet alleen

En dan realiseert hij zich dat hij toch niet alleen is en niet alleen staat tegenover al die dreigende gevaren. Jahwe is er, zijn God, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Als de dichter naar zichzelf kijkt, is hij niets waard. Hij is slechts een klein onooglijk figuurtje in dat immense, ontzagwekkende landschap. Maar voor God is het anders. Voor Hem zijn die gigantische rotsformaties niet meer dan speelgoed. Ze komen uit Zijn hand. Hij heeft ze geschapen. Voor Hem zijn ze niet meer dan kiezelsteentjes in de hand van een man.

Zo groot en machtig is God. En die machtige God is er om mij te helpen, beseft de dichter. Mijn hulp komt bij Hem vandaan. Daar mag ik op rekenen en vertrouwen.

Dat wil deze psalm zeggen. Al zijn er zoveel gevaren en al voel je j nog zo klein, nietig en bedreigd, de HEERE is er. Vergeet dat noot. Hij is er om je te helpen.

Zo’n reis is een beeld voor het menselijk leven. Ons bestaan is altijd, waar en wanneer en in welke omstandigheden ook, een bedreigd bestaan. Er kan van alles gebeuren. Allerlei gevaren kunnen je bestaan aantasten. Je leven kan gesloopt worden door tegenslagen, ziekten, ouderdom. Een mens is klein en kwetsbaar tegenover zulke dreigingen. Waar moet je het dan zoeken? Waar moet je hulp vandaan komen? Die komt van onze God, zegt deze psalm. Hij is er. Hij bewaart je, zelfs als de dood toeslaat. Hij bewaart je uitgang uit dit leven en je ingang in het eeuwige leven. Hij brengt je veilig op je bestemming.

(Wordt vervolgd.)

________________________________

 

In ‘Onderweg’, het kerkblad van de Protestantse gemeente Rhenen, schreef ds. S. Jumelet het onderstaande artikel.

 

Het ‘vreemde’ in de kerkdienst

Veel, steeds meer mensen weten werkelijk niet wat er in een kerkdienst gebeurt. Bijvoorbeeld omdat ze het van huis uit niet kennen of vanwege het feit dat het hun niet interesseert. Terwijl het ook anders bezien, ervaren wordt. Zo schreef onlangs een predikant:

‘Zo kom ik in mijn kerk steeds meer mensen tegen zonder kerkelijke achtergrond die nieuwsgierig geworden zijn. Dat ‘vreemde’ van die traditionele kerkdienst spreekt juist ook vaak mensen zonder kerkelijke achtergrond aan. Ze hebben het gevoel even uit de hun bekende wereld te worden opgetild.’

Het is ook ‘vreemd’ te zingen tot die God en Here die je niet ziet, maar van wie je zeker verwacht: Hij hoort. Het is ook ‘vreemd’ te horen dat deze God het voor je opneemt, voor je in de bres springt, al heb je het nog zo bont gemaakt. Het is ook ‘vreemd’ te geloven dat het gesprek met God echt bestaat. Dat ‘vreemde’ in de Liturgie moet wij (kerk)mensen niet opheffen, want die vreemde, die zo verre God is ons mensen zo nabij, dat hij dé Bekende wordt…